Teksten wijk 33

A
ab v (-s) afstandsbediening.
ab’je o (-s) abonnement.
absoluut’ uitdr op zeker!
ac’tie v (-s) 1. gebeurtenis; 2. daad.
Ad m 1. eigennaam; Het is glad, Ad!; 2. Ad Vundum: in één keer; Drinken volgens de wet van Ad.
ad’je bijw in één keer; Doen we een bakkie adje?
af’druipen ww (druip af, droop af, ben afgedropen) weggaan, verlaten; Hij druipt keihard af.
af’taaien ww (taai af, taaide af, ben afgetaaid) de kroeg voortijdig verlaten.
af’taaier v/ m (-s) 1. afhaker, iemand die een verwachting of belofte niet nakomt;
2. iemand met een slappe mentaliteit.
af’voeren, ie’mand ww (voer af, voerde af, heb afgevoerd) iemand afschrijven vanwege extreme lachkicks of dronkenschap; Na twee bakkies kan je hem afvoeren.
a-hun’dred-percent’ uitdr helemaal goed!
Al’bert o Alberta.
al’co v/ m (-’s) alcoholist.
am’bu v/ m (-’s) ambulance.
Anaal’-A’frika o Centraal-Afrika.
An’dré uitdr Haas is! (oorspr.: André Hazes).
an’ti bnw 1. tegen; Ik ben anti; 2. niet, on-; Wat een anti-tiller Wat een lelijk
meisje.
asfalte’ren ww (asfalteer, asfalteerde, geasfalteerd) goed doorroken; Je longen
asfalteren Veel roken.
1 a’so bnw asociaal.
2 a’so v/ m (-’s) asociaal persoon.
ax’issen ww (axis, axiste, heb geaxist) Axis and Allies spelen.


B
baas v/ m winnaar, heerser.
bail v/ m (-en) blunder (oorspr.: als men van de ramp afglijdt bij skaten).
bai’len ww (bail, bailde, heb gebaild) blunderen (oorspr.: van de ramp afglijden
bij skaten).
bak m (-ken) auto.
bak’ken ww (bak, bakte, heb gebakt) zuipen.
bak’kie o (-s, bakkíííes) glas bier; bakkies doen een serie biertjes drinken; "Bakkie koffie?", Nee, doe maar een bakkie; Een klein bakkie doen Slechts een paar
biertjes drinken (vaak niet waar).
bal m Goeie bal! Mooi zo!
Banaal’-A’frika o Centraal-Afrika.
Bas m asbak.
bas’ak m (-ken) asbak.
bastronaut’ m (-en) astronaut.
bedroe’vend bnw zeer zwak, slecht, om te huilen.
bef v/ m autobus.
bef’control v/ m (-s) Actie bij zeilen waarbij de houder van een eventueel befje
(zie aldaar) wordt gejend.
bef’je o (-s) Boer-Vrouw combinatie bij zeilen met een waarde van drie punten. Als de volgende spelers niet meegaan moet iedereen jou de pot betalen. bef’ter le’mon uitdr bitter lemon; Een befter lemon zonder haren (oorspr.: Een of andere lamme zaad in de Zaak).
Begin’hoven o Eindhoven.
bek’kie o (-s) bekkies doen: Kleffen, tongzoenen.
bel’len ww (bel, belde, heb gebeld) 1. iets of iemand ergens bij betrekken; Even Tim bellen sloeberen; Even David bellen cancelen; Even Frits bellen Het is fris (zie ook: fris); 2. We bellen elkaar later weer zien (ook wel: We faxen).
ben’de v/ m (Loop) naar je bende! Rot op! (ook wel: Loop naar je moer.
Bep’pie o (-s) 1. vriendin; 2. meisje.
bestek’ken ww (bestek, bestekte, heb gebestekt) grote hoeveelheden bestek afwassen.
beuk v/ m (-en) klap.
beu’ken ww (beuk, beukte, heb gebeukt) 1. slaan, vechten; 2. hard werken; 3. keihard muziek draaien.
beu’ker v/ m (-s) groot object.
bewer’ken uitdr Met mes en vork bewerken Eten.
be’zig bijw uitdr.: Leuk bezig voor je leeftijd.
be’zigen ww (bezig, bezigde, heb gebezigd) uitoefenen, doen; Vage teksten bezigen.
bike, gou’den uitdr topfiets. Om voor dit predikaat in aanmerking te komen moet de fiets in perfecte technische staat zijn, èn geweldig rijden.
Bil’legom o Hillegom.
bla’zen ww (blaas, blies, heb geblazen) 1. snel veel bier drinken; 2. asociaal hard rijden.
blessu’re uitdr Mijn longen zijn geblesseerd Ik heb teveel gerookt.
boe’te v/ m (-s) denkbeeldige straf voor een foute daad; Moet ik soms weer boetes uit gaan delen?
bor’reljoodje o (-s) borrelnootje.
bout m (-en) scheet.
bou’ten ww (bout, boutte, heb gebout) 1. schijten; 2. een scheet laten.
bou’wen ww (bouw, bouwde, heb gebouwd) maken (van een suck).
brok’kelen ww (brokkel, brokkelde, heb gebrokkeld) kotsen.
bruut bnw fors, ingrijpend, sterk; Wat een brute story’s.
bur’nen ww (burn, burnde, heb geburnd) 1. verbranden; 2. branden; De Q is uitgeburnd.
bu’siness v/ m We zijn weer in business: We doen weer zaken, we zijn weer goed bezig, we begrijpen elkaar weer.
buurt v/ m Wijk 33; Komt hij ook uit de buurt?
buurt’groet m bepaald geluid dat alleen geproduceerd schijnt te kunnen worden door bewoners van Wijk 33.


C
ca’po v/ m (-’s) capuchino.
cap’sis v/ m (capsis) cassis.
chec’ken ww (check, checkte, heb gecheckt) 1. kijken; 2. controleren; 3. tot sex bewegen; Hij heeft haar gecheckt.
chick v (-s) meisje, vrouw; Zij is wel een relaxt chickie.
chil’len ww (chill, chillde, heb gechilld) relaxen.
Chine’zen ww (chinees, chineesde, heb gechineesd) bij de Chinees eten en/ of drinken.
Chrissiaans’ o [Kríssiáááns’] taal á la Chris (TapUit) met veel áá’s en íe’s.
Cippoli’ni, Ma’rio bnw goedkoop; Even Mario bellen.
com’bo v/ m (-’s) combinatie.
com’pu m (-’s) computer.
confisce’ren ww (confisceer, confisceerde, heb geconfisceerd) in beslag nemen, pakken, afpakken.
constate’ren ww (constateer, constateerde, heb geconstateerd) opmerken, waarnemen, zien.
construc’tie v (-s) 1. constructie; 2. consumptie.
Cor m (-s) mongool (oorspr.: TV serie “Life goes on” met de mongool Corky Cor Key  Cor Sleutel).
cras’hen ww [kres’jen] (crash, crashete, heb gecrashet) 1. gaan slapen; Ik ga
crashen; 2. crashen.


D
1 daas bnw gek.
2 daas v/ m (dazen) gek.
da’nig in de war uitdr verknipt, de weg kwijt, gestoord.
dij v/ m klap direct op het bot van het dijbeen, vaak als boete voor een gemaakte bail of zaadactie.
dij’en ww (dij, dijde, heb gedijd) iemand een dij geven; Darten om dijen Darten
met als inzet een dij.
doen’able bnw te doen, haalbaar; Dat is wel doenable.
done’ren ww (dono, donode, heb gedonood) inleggen, geven; Dono even een piekie!
door’gaan ww (ga door, ging door, ben doorgegaan) tot laat en tot lammens aan toe doordrinken.
door’komen ww (kom door, kwam door, ben doorgekomen) Een belofte waarmaken, na enige tijd (toch) geven; Kom je nog door met die bakkies?
door’pullen ww (pul door, pulde door, heb doorgepuld) 1. doordrinken; 2. in hoog tempo drinken.
dra’madoos v (dramadozen) irritant wijf, zeikwijf.
droog’roken ww (rook droog, rookte droog, heb drooggerookt) roken zonder er bier bij te drinken.
duits accent’ uitdr (duitse accenten) boer; Vergeef mij m’n duits accent.
duit’se vloek uitdr (duitse vloeken) scheet.
duud m (-s) gozer, jongen; Môge duuds!


E
Ed m (-jes) effect; Ed Effect; edje.
en’ter v/ m (-s) geintje, practical joke; Een stevige enter uithalen met iemand.
en’ter- bnw gein-, ziek-; Een goeie entertekst.
en’teren ww (enter, enterde, heb geënterd) een geintje uithalen met iemand; Iemand stevig enteren, Iemand goed enteren.
extreem’pje o (-s) extreme sito.


F
1 faan’tje bnw fanatiek; Dat is te faantje Je bent wel heel erg betrokken.
2 faan’tje o (-s) fanatiekeling.
fai-tie’ bijw snel, schiet op! (oorspr.: Chinees).
fe’lix m (-en) aansteker (oorspr.: James Bond films met CIA agent Felix Leiter).
ff bijw effe, even.
figuur’ o (figuren) persoon.
fish v/ m iemand die zich voor de gek laat houden; Fish!!! (zie ook: happen).
flamou’ceren ww (flamouceer, flamouceerde, heb geflamouceerd) camoufleren, wegwerken.
fle’xie le’xie m (-s) acute, gefakete kwaaltjes met de bedoeling een chickie te checken (oorspr.: Lex met een zgn. Flexi).
fok’ken ww (fok, fokte, heb gefokt) stangen, gek maken (ook wel: opfokken).
force’je o [foors’je] (-s) geforceerde actie (oorspr.: forceje: geforceerd staartje, het haar is eigenlijk niet lang genoeg).
fout bnw niet goed; Wat een onwijs foute gast.
fris bnw koud; Het is fris, Frits! Het is koud, Wout! Het is koel, Roel!


G
gaar bnw 1. slecht; Wat een gare bak heb jij; 2. verrot; Ik ben helemaal verrot.
gaar’bek v/ m (-ken) verrotte kop, kater; Wat een gaarbek heb jij; (ook wel:
gaarmuil).
gast m (-en) jongen, man; Hij is wel een relaxte gast.
geil bnw 1. geil; 2. geel.
gek’kenhuis bnw 1. druk; Het is gekkenhuis in de Tap; 2. behoorlijk intensief; Het was weer gekkenhuis gisteravond.
Gezwol’len o Zwolle.
gie’ren ww (gier, gierde, heb gegierd) 1. veel zuipen, doorzuipen; 2. hard en aso rijden.
glad bnw glad; homosexueel.
glij’en ww (glij, glee, heb gegleën) neuken.
glij’er v (-s) lekker wijf.
go’zer m (-s) jongen, man.


H
haak’je uitdr Tussen dri haakjes Tussen twee haakjes.
HaaSens Co.™ m HaaSens Company™.
Haastricht’ o Maastricht.
ha’chelen uitdr Niet te hachelen: Dat is niet te eten (ook wel: niet te raggen).
hak’ken ww (hak, hakte, heb gehakt) eten, voeren, snacken; Niet te hakken Niet te
eten.
ham’urger v/ m (-s) hamburger.
Han So’lo m 1. eigennaam; 2. alleen; Die gast is Han Solo Hij is alleen (oorspr.: Star Wars).
hand’len ww (handle, handlede, heb gehandled) handelen, aankunnen; Ik kan het
handlen.
han’gen ww (hang, hing, heb gehangen) 1. TV kijken; TV hangen; 2. bezoeken, tijd doorbrengen bij of met iemand; Bij iemand hangen; 3. slagen, lukken; Jawel, hangen!
hang’sessie v (-s) bijeenkomst voor de gezelligheid.
hante’ren ww (hanteer, hanteerde, heb gehanteerd) aanhouden; rekenen; Wat een naaiprijzen hanteren ze hier.
hap’pen ww (hap, hapte, heb gehapt) ergens intrappen, bijten; Wat doen vissen?
Happen!
Har’ry m (-’s) vage gozer; Wat een zwakke Harry is die gozer.
Ha’zië o Azië.
heer’sen ww (heers, heerste, heb geheerst) goed zijn; Die muziek heerst.
heet bnw warm; Het is heet, Peet! Het is warm, Harm!
held m (-en) 1. held; 2. sukkel.
Hen’nie m 1. eigennaam; Hennie Huisman; 2. huisman.
Hid’den-Ame’rika o Midden-Amerika.
Hijg o Heegh.
hij’sen ww (hijs, hees, heb gehesen) zuipen.
Hijs’land o IJsland.
ho’mobeffer m (-s) ongelofelijke sukkel.
hond m (-en) schoft.
Hui’lebalk o Balk (Friesland).
huis v ook: house muziek.
húúú! tussenw Jááá!; húúú Paultje!


I
in’nemen ww (neem in, nam in, heb ingenomen) veel bier drinken; We hebben goed ingenomen.
in’nen ww (in, inde, heb geïnd) in ontvangst nemen; Mag ik even innen Wil je me terugbetalen.
in’slaan ww (sla in, sloeg in, heb ingeslagen) inkopen (van alcoholische drank, snacks en peuken).
in’stelling v (-en) mentaliteit, opvatting, overtuiging.
intern’ bnw intern rondje: Een rondje bier voor de hardcore set tussen de andere rondjes door.
introduce’ren ww (introduceer, introduceerde, heeft geïntroduceerd) 1.
introduceren; 2. interesseren.
investe’ren ww (investeer, investeerde, heb geïnvesteerd) alvast naar de WC gaan
om later, op een minder gelegen moment, niet meer te hoeven; Ik pleeg even een investering.


J
jam’mer bnw zielig, meelijdenswaardig; Een jammer figuur.
jam’sessie v (-s) bijeenkomst om muziek te maken.
Jean uitdr [Shja(n)] Le Jean: De lul!
Jen’nebroek o Bennebroek.
jen’nen ww (jen, jende, heb gejend) een geintje uithalen met iemand, pesten.faantje teksten - pagina 5

1 Je’zus m Jezus.
2 Je’zus m (Jezusfietsen) opoefiets.
J.’J. uitdr [Jay’Jay] boer-boer combo bij zeilen.
jo’ker m (-s) grappenmaker, sukkel.
Jood m (Joden) 1. een Ajaxied; 2. Pief’s eerste auto.
Joost-Euro’pa o Oost-Europa.
jus’-tje o (-s) een glas jus d’orange.


K
kaak’je o (-s) koekje.
kaart uitdr Staat niet op de kaart.
kaas’sie o (-s) makkie.
kans v/ m D’r is ‘n kans en die heh-je; Daar heb je weinig kans van.
kan’telen ww (kantel, kantelde, heb gekanteld) bier drinken.
kast v/ m (-en) gokautomaat.
kieb v/ m (-s) bierbuik.
kie’pen ww (kiep, kiepte, heb gekiept) veel bier drinken.
kind’je o (-s) koter, kinderachtig figuur.
kit m de politie; De kit komt, we worden gepakt man!
klaar bnw dronken.
klau’wen ww (klauw, klauwde, heb geklauwd) stelen, pikken.
klei’en ww (klei, kleide, heb gekleid) poepen (ook: figuurkleien In een bepaald
patroon poepen).
klem bnw dronken; klem gaan; Ik zit klem Ik ben dronken.
kleu’nen ww (kleun, kleunde, heb gekleund) vechten, slaan; Iemand kleunen
Iemand verrot slaan.
klui’ten mv geld; Je krijgt nog kluiten van me (ook wel: kluten).
klu’nen, ‘m ww (kluun ‘m, kluunde ‘m, ben ‘m gekluund) weggaan, oprotten.
knet’ter bnw stoned.
koers m (-en) stand van zaken, planning; Wat zijn de koersen? Wat zijn de
plannen?; Hoe staat het met de cashkoersen? Hoeveel geld heb je nog?
kok’ken ww (kok, kokte, heb gekokt) kotsen.
kok’kie o (-s) een braaksessie; Een kokkie leggen; Een kokkie doen.
Konta’rio o Ontario.
kooi’hoorts v/ m hooikoorts.
Koos m (Kozen) werkloze (oorspr.: Koos Werkloos).
Krebbs m (-en) scheet; Ray...Krebbs! (oorspr.: TV serie “Dallas” met Ray
Krebbs).
krebb’sen ww (krebbs, krebbste, heb gekrebbst) een scheet laten.
Kromme’nië o Krommenie.
kut’je co’la uitdr Shit! Kut!
kut’leven o Wat een kutleven: Wat ontzettend vervelend.


L
lach’kick v/ m (-s) enorme lachaanval.
laf’aard v/ m (-s) zie: aftaaier.
lam bnw dronken.
lam’mie v/ m (-s) dronken persoon.
la’tor tussenw later! mazzel!; Lator Peter!
le’deren bnw 1. van leer; 2. nichterig; Hé lederen boy!
leer’nicht m (-en) zeer extreme homo.
leer’zaam bnw Een leerzaam reisje: Onderweg een goeie snackbar ontdekt.
leg’ger tussenw lekker! O.K. dan!
lek’ker belang’rijk uitdr niet erg relevant.
lex’en ww (lex, lexte, heb gelext) Axis and Allies spelen.
lij’er m (-s) schoft, flikker; Wat een lijer is die gozer ook!
li’quids mv nadorst stillende middelen; Ik heb wat liquids nodig.
loa’ded bnw [lo’ded] vol, zat; loaded zitten genoeg hebben.
lo’zer v/ m (-s) sukkel, Engels: looser.


M
Macleod’ tussenw [mk-loud’] proost!
Madagas’kamer o Madagaskar.
ma’ken, ‘m ww (maak, maakte, heb gemaakt) 1. slagen, halen; Heb je ‘m gemaakt?; 2. doen; Een goeie actie maken.
Maln’steen, (Invy) m 1. eigennaam; 2. investering.
man tussenw (stopwoord) Jezus man, wat zwak!
mat m (-ten) sleep, lang nekhaar.
Mat’lan’tische Oceaan’ m Atlantische Oceaan.
mat’ten ww (mat, matte, heb gemat) vechten.
Mat’-thijs m (-sen) gozer met een mat.
Mauri’ce m (-jes) 1. eigennaam; 2. schoft (oorspr.: Maurice d’Hondt,
burgemeester van Nijmegen).
maximaal’ bnw erg, zeer, volledig; maximaal lam gaan (ook wel: max).
maz’zel tussenw 1. algemene afscheidsgroet; 2. geluk.
maz’zelaar v/ m (-s) geluksvogel.
mees’ter v/ m ruler, baas.
mel’den ww (meld, meldde, heb gemeld) vertellen; zeggen.
mel’ding v (-en) opmerking; Een loze melding doen.
melk’baardje o (-s) beginnende baardgroei; Na de melktanden komt het
melkbaardje.
meubilair’ o Bij het meubilair van de kroeg horen Vaste klant zijn.
meum o (-s) museum.
meum’pje o (meumpjes) investering, zware opgave.
meu’ren ww (meur, meurde, heb gemeurd) slapen, pitten.
min’ded bnw [main’ded] max fanatiek en toegewijd.
min’der bnw niet leuk, onprettig; zwaar minder Heel erg minder.
misbrui’ken ww (misbruik, misbruikte, heb misbruikt) gebruiken, flink gebruik maken van.
mis’sie v (-s) verplichting om naar de kroeg te gaan; We hebben een missie.
mo’de v/ m [mood] positie, stand; We zitten in de zuipmode We drinken nogal door.
moet’je o (-s) verplichting; Het is een moetje.
mô’ge tussenw welkomstgroet (niet afhankelijk van een bepaald tijdstip); Môge Gijs!.
mog’ge tussenw zie: môge.
Moord-Euro’pa o Noord-Europa.


N
naai’actie v (-s) oplichterij, oneerlijke deal.
naai’prijs m (naaiprijzen) te hoge prijs (voor een biertje).
na’denken uitdr Denk na! Kom op, lul niet!
na’spacen ww [na’spesen] (space na, spacete na, heb nagespacet) chillen, bekomen van de kick.
Ne’lis m (-en) gozer, kerel; Luister Nelis!
ne’ger telw 1. negen; 2. leger (Risk).
Nieuw-Hen’nep o Nieuw-Vennep.
nift ? (geen betekenis).
niks! uitdr Helemaal niet! Niks daarvan! Niet waar!
Noor’delijke Ijs’zeep v/ m Noordelijke Ijszee.


O
Oen’land o Groenland.
one-eigh’ty v/ m (one-eighties) halve draai (met een skateboard of auto) (oorspr.: skaten).
ontrek’baar bnw 1. onhaalbaar; 2. ondragelijk.
onverdiend’ bnw onterecht.
Oost-Aus’witsch o Oost-Australië.
op’gave v/ m (-n) verplichting om te zuipen; Een hele opgave; een zware opgave.
op’je o (-s) opdracht.
op’leiding v In opleiding: onvolleerd, onvolgroeid; Tiller in opleiding.
op’schieter v/ m (-s) vaasje bier: 25 centiliter.
opte’ren ww (opteer, opteerde, heb geopteerd) willen, kiezen, prefereren; Ik
opteer een H.J.tje.
op’voeden ww (voed op, voedde op, heb opgevoed) iemand leren drinken en roken.
op’zouten ww (zout op, zoutte op, ben opgezouten) oprotten.
overwe’ging v/ m (-en) keus, optie; Ik zit nog in overweging Ik denk er nog even over.


P
paard uitdr Een gestolen paard in de bek kijken Een gestolen fiets bekritiseren.
pad’je o (-s) gezicht, bek; Op je padje gaan; Iemand voor z’n padje slaan; In je
padje! In your face!
pa’len ww (paal, paalde, heb gepaald) 1. neuken; 2. voor de gek houden.
pan’netje uitdr Uit z’n pannetje Uit z’n dak.
pa’ra bnw paranoïde; Die gast trekt een vette paramuil.
pa’sen ww (paas, paaste, heb gepaast) doorgeven; Voor Pinksteren komt pasen.
pé’-chau v/ m (pé-chau) bier; Lempoei pé-chau, fai-tie molanjong! (oorspr.: Chinees).
pe’kie o peuk, sigaret.
Pest-Euro’pa o West-Europa.
pet v/ m (-ten) Jij met die pet: Hé jij daar!
pie’kie o (-s) gulden.
Piet’zeri’a m (-’s) pizzeria.
pijp v/ m (-en) 1. fietsband; Een lekke pijp hebben; 2. studio effect bij muziek; Door een pijp zingen.
Pin’dia o India.
Pindone’sië o Indonesië.
Pisk o Risk.
Pis’se o Lisse.
plaat v/ m (platen) gezicht, bek; Op je plaat gaan; Op z’n plaat geslagen.
plak’kaatje o (-s) braaksel; Heb je een plakkaatje gelegd?
plan’ken ww (plank, plankte, heb geplankt) snel en hard rijden.
Plas’ka o Alaska.
Plas’sen o Assen.
poars bnw paars; Een poars trainingspakkie.
poot m hand, richtingaanwijzer; Steek je poot uit.
poot’je o (-s) sukkel, zaad.
po’pi bnw populair, zich populair voordoend; Een popi guy.
pop’kid v/ m (-s) jongere die alleen commerciële muziek trekt.
por’no tussenw O.K. dan!
Po’te Oceaan’ m Grote Oceaan.
pul v/ m (-len) glas bier; Een pul doen.
pul- bnw zuip-; Een pulvakantie hebben.
pul’len ww (pul, pulde, heb gepuld) veel bier drinken; Het klokje rond pullen.
pul’sessie v (-s) Bijeenkomst waarbij een grote hoeveelheid bier wordt gedronken.
pul’spier v/ m (-en) overontwikkelde spier in de arm door het drinken van veel bier.
puur bijw slechts; Het gaat puur om jezelf.
P.V.C.’ o P.S.V.; P.V.C. is vies.


Q
Q m [kjoe] (-’s) barbecue.
q’-en ww (q, q-de, heb ge-q-ed) barbecuen.


R
ran’zig bnw vies; ranzige teksten.
re’delijk bijw goed, heel behoorlijk; Er is weer redelijk gezopen.
relaxt’ bnw 1. goed, prettig; 2. rustig aan.
rel’nicht m (-en) extreme homosexueel.
Re’my m (-’s) 1. eigennaam; 2. eenling. (oorspr.: boek “Alleen op de wereld” met Remy).
ren’slot o (-en) fietsslot dat met de rentechniek eenvoudig te openen is.
Return’hout o Turnhout.
1 riks m (-en) rijksdaalder.
2 Riks o Risk.
rip’pen ww (rip, ripte, heb geript) stelen (ook wel: rausen).
roc’ken ww (rock, rockte, heb gerockt) muziek maken met meerdere mensen.
rook’therapie v (rooktherapiën) hardhandige maar bruikbare methode om iemand aan het roken te helpen.
rule’box v/ m [roel’box] (-en) koelbox.
ru’len ww [roe’len] (rule, rulede, heb geruled) 1. heersen; Wij rulen die tent; 2. goed zijn; Hij rulet met zuipen.
Ruud uitdr Maar dit terzijde Ruud ter Weiden.


S
1 sa’do bnw sadomasochistisch.
2 sa’do v/ m (-‘s) sadomasochist.
sap’je o (-s) een glas vruchtensap.
Scan’di o Scandinavië.
scan’nen ww (scan, scande, heb gescand) kijken, checken.
sche’ma o (-’s) 1. rooster, plan; Op schema!; 2. methode; Die schema’s van jou!
schjwiiiing! tussenw Jááá!, Komt-ie!
schok’ken ww (schok, schokte, heb geschokt) betalen, geld inleggen; Had je al geschokt?
schui’ven ww (schuif, schoof, heb geschoven) 1. betalen; Hoeveel schuift dat?; 2. In je plaat schuiven Eten.
sco’ren ww (scoor, scoorde, heb gescoord) 1. halen; Even een tientje wied scoren; Ik probeer even een lift te scoren; 2. slagen; Ik heb gescoord.
scram’blen ww (scramble, scramblede, ben gescrambled) onmiddellijk naar de kroeg vertrekken.
seizoen’ o (-en) de periode in het jaar dat er geterrast kan worden in de Oase.
ses’sie v (-s) bijeenkomst; Gisteren nog een goeie pulsessie gehad.
set m (-jes) vriendengroep; De Set; Een setje gasten.
sha’ken ww (shake, shakete, heb geshaket) schudden, bekijken; Je kan het nu wel
shaken.
sig’naten ww (signaat, signaatte, heb gesignaat) signaleren, opmerken.
Sile’rië o Siberië.
Si’nas o China.
si’to v/ m (-’s) situatie; Un-un sito Gelijkspel, elk één leger kwijt (bij Risk).
ske’del uitdr Uit je skedel: Uit je dak; (ook wel: Skedel!).
sket’sie bnw eng, dubieus; Een sketsie gast.
skip’pen ww (skip, skipte, heb geskipt) overslaan, afslaan; Ik skip ff een rondje.
skul’len ww (skul, skulde, heb geskuld) Uit je dak gaan, over je zeik gaan, knetter gaan.
slot, gelaagd’ o (gelaagde sloten) fietsslot dat eenvoudig op de grond of met een
steen open te tikken is.
snack v/ m (-s) 1. snack; 2. snackbar.
snack’-attack v/ m (-s) zin in vet eten; Ik heb een snack-attack.
snac’ken ww (snack, snackte, heb gesnackt) eten; snacken.
snac’kie o (-s) snack; Een snackie leggen.
snea’ken ww (sneak, sneakte, heb gesneakt) 1. stiekem doen; Zij sneakte ‘m; 2. weggaan; Ik sneak ‘m.
snea’ky bnw stiekem; Een sneaky gast.
snelweg’ uitdr snel weg: snelweggooier.
soef’je o (-s) kaassoufflé.
sound’je o (-s) 1. melodietje, klank; 2. muziek; Een soundje opzetten.
spa’cen ww [spe’sen] (space, spacete, heb gespacet) 1. chillen; 2. tollen als gevolg van verdovende middelen.
spat’je o (-s) spatje whisky: een klein scheutje.
spe’cu v/ m (-’s) speculatie, roddel; Zware specu’s doen de ronde Er wordt over geluld.
spek’ker v/ m (-s) verhoging van de zeilpot bij de volgende ronde als er geen winnaar is.
spin’nen ww (spin, spinde, heb gespind) tollen (door alcohol).
splif m (-s) joint.
spon’soren ww (sponsor, sponsorde, heb gesponsord) 1. inleggen; De pot
sponsoren; 2. voorzien; Iemand in de kroeg sponsoren.
spot’ten ww (spot, spotte, heb gespot) zien, waarnemen, opmerken.
sss sss tussenw zwak, hé!
Stads’anaal o Stadskanaal.
stein, Van - uitdr Van Zwakkenstein Zwak; Van Grijpenstein Gepakt worden; Van Vollenhovenstein Vol.
sterk bnw leuk, goed.
ste’ven ww [stie’ven] (steve, stevede, heb gesteved) een stevy maken (zie aldaar).
ste’vy m [stie’vie] (stevies) effect dat een bal met opwip ergens overheen gespeeld wordt.
steun- bnw hulp-, extra; een steunbakkie (zie aldaar).
steun’bakkie o (-)extra bakkie naast een ander drankje, tussendoortje.
sti’rupis m spiritus.
stoel uitdr Pak een stoel en blijf staan: Ga zitten.
stoer bnw 1. goed; De stoere worp (Risk); 2. zielig; Wauw wat een stoere gozer!
sto’ry v/ m (-’s) verhaal, anekdote.
straf’fen ww (straf, strafte, heb gestraft) gebruik maken van, misbruik maken van; Die auto is goed gestraft; Ik ga even het porcelein straffen Ik ga zeiken.
stra’len ww (straal, straalde, heb gestraald) urineren.
suck m (-s) joint.
suc’ken ww (suck, suckte, heb gesuckt) 1. blowen; Hij suckt; 2. slecht zijn; Een
scooter sucks.
suf’tillen ww (til suf, tilde suf, heb sufgetild) hardcore en helemaal suf neuken, tillen tot de max.
su’perdij v/ m zeer harde en rake dij (zie aldaar), meestal van Egg.


T
taai’en, ‘m ww (taai ‘m, taaide ‘m, heb ‘m getaaid) weggaan; Ik taai ‘m.
taak v/ m (taken) verplichting om naar de kroeg te gaan; Wij hebben een taak te volbrengen.
tan’ken ww (tank, tankte, heb getankt) bier drinken.
Tap’pen ww (Tap, Tapte, heb geTapt) naar café de TapUit gaan; Wordt er nog geTapt?.
techniek’ v (-en) truc, vaardigheid, methode; Die technieken van jou!
Ted m 1. eigennaam; Ted Hand; 2. geldautomaat; Ik moet even Ted straffen/ Ik ga even Ted een hand geven Ik moet even pinnen; Ted raadplegen Kijken of er voldoende geld op de rekening staat.
teeuw’teugel m (-s) bakkebaard.
te’ken o meestal: een signaal dat er gerookt of gedronken moet worden; Het is een teken.
tekst m (-en) verhaal, opmerking.
tek’sten ww (tekst, tekste, heb getekst) vertellen, praten.
telefoon’, debie’le v/ m mobiele telefoon.
te’lex uitdr té Lex, typisch iets voor Lex; telexje!
temp’je o (-s) temperatuur.
term v/ m (-en) uitdrukking, Wijk 33 tekst.
terras’sen ww (terras, terraste, heb geterrast) keihard zuipen op het terras van een café.
The’a v anti-tiller; “Thea de anti-tiller”.
ther’mo bnw warm; Het is hier vet thermo.
thij’mes bnw behoorlijk gek, verknipt.
three-six’ty v/ m (three-sixties) hele draai (met een skateboard of auto) (oorspr.: skaten).
tien’tsje! tussenw geluid van een flesje als de kroonkurk wordt verwijderd.
til’len ww (til, tilde, heb getild) neuken.
til’ler v (-s) aantrekkelijke vrouw; tillers on the road.
til’stek v (-ken) vriendin.
t.i.o. afk tiller in opleiding.
tien píek! tussenw tien gulden, O.K. dan (Chrissiaans).
tien-kna’ken-boy m gokverslaafde.
Tim m (-men) 1. eigennaam; Tim Freeswijk; 2. stuiver; 3. sloeber.
tjaap m (tjapen) joint.
Tja’pen o Japan.
tro’nie v/ m (-s) gezicht, smoel; Op je tronie gaan Op je bek vallen; In je tronie schuiven Eten.
tof bnw leuk, goed.
top bnw geweldig, goed, perfect.
top’bak m (-ken) voertuig in goede staat.
top’klasse v goeie zaak, heel mooi; Dat is zware topklasse.
to’tal (loss) bnw helemaal lam.
to’tal noc’tum bnw helemaal lam.
touw’tje o (-s) autogordel, veiligheidsriem.
trek’kable bnw dragelijk.
trek’ken ww (trek, trok, heb getrokken) 1. mogen, goedkeuren; 2. leuk vinden; 3.
hulpwerkwoord: Een jankmuil trekken; Een scheermuil trekken.
treu’rig bnw treurig, zielig, meelijdenswaardig; Een treurig figuur.
tril’klauw v/ m (-en) trillende hand, meestal door alcohol-invloeden.
trief’je o (-s) potje Triviant; Een triefje leggen Een potje Triviant spelen.
trie’ven ww (trief, triefde, heb getriefd) Triviant spelen.
Turk o Urk.
Tur’kentrekker m (-s) kurkentrekker.
tur’nen ww (turn, turnde, heb geturnd) platen draaien.
twis’ten ww (twist, twistte, heb getwist) draaien, omdraaien.
twis’ted bnw gek, geflipt, ziek.


U
uit bijw Ik ben uit van hier Ik ga er vandoor.
uit’checken ww (check uit, checkte uit, heb uitgecheckt) bestuderen, bekijken, uitproberen.
uit’spacen ww [uit’spesen] (space uit, spacete uit, heb uitgespacet) een verdoving laten uitwerken.


V
vaag bnw vreemd, raar.
vago v/ m vaag persoon, vage gast.
verdiend’ bnw terecht.
vergeet’regel m regel bij Risk: je moet binnen je beurt een kaartje pakken, later heb je er geen recht meer op.
vergip’sen, zich ww (vergips me, vergipste me, heb me vergipst) zich vergissen.
verknipt’ bnw in de war, gek.
verneed’je o (-s) 1. vernedering; 2. verdedigingsbeurt bij Risk.
verrot’ bnw ziek (door drank), naar de kloten; Ik ben verrot Ik heb een kater;
verrot gaan Dronken worden.
verrot’muil v/ m (-ken) verrotte kop, kater; Wat een verrotmuil heb jij (ook wel:
verrotbek).
versna’pering, alcoho’lische v/m alcoholhoudend drankje.
vet bnw heftig, machtig, heel erg; Een vette suck; Wat een vet geluid komt er uit de boxen; Dat is vet aso.
vidé’o m (-’s) video.
vij’ver v/m (-s) vijfje, munt van vijf gulden.
vlam v/ m (-men) vuurtje.
vlech’ten uitdr Door je strot vlechten: eten, voeren, wegzetten.
voel’kloeistof v/ m koelvloeistof.
voe’ren ww (voer, voerde, heb gevoerd) eten.
voer’kick v/ m (-s) 1. gerecht, snack; Goeie voerkick; 2. enorme trek; Ik heb een onwijze voerkick.
voer’tje o (-s) klein gerecht; snack; Ik leg even een voertje.
Vol’lenhoven, Van m 1. eigennaam; Pieter van Vollenhoven; 2. vol.
von-knec’ke bnw uitgeteld; Helemaal von-knecke liggen.
voor’bakkie o (-s) een biertje voor een grotere sessie; Doen we bij mij even een voorbakkie? vrien’dendienst m (-en) gunst onder zware omstandigheden (bijvoorbeeld een
kater), meestal in de vorm van het halen van een blikje cola; Verleen mij ‘es die vriendendienst, haal wat liquids.
vun’zig bnw vies; vunzige teksten.


W
was’ted bnw [was’ted] verrot, Engels: wasted [wees’ted].
wa’zig bnw vreemd, onduidelijk; wazige teksten.
week bnw zwak, laf.
weet v/ m weed.
weet-je tussenw (stopwoord) Da’s helemaal goed, weet-je.
weg uitdr Bij de weg Trouwens.
weg’gooier v/ m (-s) nietsnut, aftaaier.
weg’zetten ww (zet weg, zette weg, heb weggezet) 1. opdrinken, 2. opeten.
weg-weg uitdr Ik waai helemaal van de weg-weg.
wen’telen ww (wentel, wentelde, heb gewenteld) 1. een sigaret rollen, een joint draaien; 2. omdraaien.
wijf v (wijven) meisje, vrouw.
Wijk 33 v/ m Het gebied tussen station Heemstede-Aerdenhout en Aerdenhout, bakermat van vele teksten.
wijs bnw slim; Ben jij eigenlijk wel wijs?
Wil’lem (Kloos) m 1. eigennaam; 2. dichtbij, in de buurt.
winds of change uitdr Laten we de winds of change doen Laten we ruilen.
win’nen ww (win, won, heb gewonnen) ontvangen van iets waar gewoon voor betaald is; Ik heb gewonnen op de geldautomaat; Heb je gewonnen Is je boodschap gelukt?
1 wous bnw gek; Ben je helemaal wous ofzo?
2 wous v/ m (wouzen) sukkel, gek.
wous’kick v/ m (-s) mafkees, gek.
Wousend’ o Woudsend.
Woustra’lië o Australië.
wreed bnw bruut, sterk (zie aldaar).


X
faantje teksten - pagina 10

Y


Z
zaad v/ m/ o (zaden) sukkel.
zaad’tekst m (-en) zwakke tekst, onzinnige opmerking.
zaak v/ m Goeie zaak!: Mooi zo!
ze’ker bijw Op zeker: Zeer zeker.
ze’ver v/ m (-s) De actie dat de bal bij midgetgolf na zes pogingen nog niet gepot is.
z.h. afk zelf halen (als de bal bij voetbal uit gaat); Een z.h.-tje.
ziek bnw Ergens ziek van zijn: Ergens van balen.
zie’ken ww (ziek, ziekte, heb geziekt) een geintje uithalen met iemand, pesten.
ziek’maker v/ m (-s) vervelende ervaring, teleurstelling; Wat een onwijze ziekmaker is dat.
zin’gen uitdr Zing het maar: Zeg het maar.
zo nee uitdr zo ja; Ga je nog naar de Tap, en zo nee, hoe laat?
Zuid-Eu’ropas o Zuid-Europa.
zui’gen ww (zuig, zoog, heb gezogen) slecht zijn; Scooters zuigen.
zwaar bnw erg, zeer; Dat is zwaar kut!
zwak bnw niet leuk, slecht; Wat een extreem zwakke gast zeg!
zwak’keling m (-en) sukkel, aftaaier.
zwak’sinelichtje o waxinelichtje.
zwak’telefoon m (-s) zaktelefoon.
Zwak’voort o Zandvoort.

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Gevestigd in Amsterdam